Bij sport hoort
ontegenzeglijk een competitie element. Men wil zijn eigen kracht of dat van een
team waar men deel van uitmaakt meten waarbij de resultaten van gespeelde
wedstrijden, in ons geval ook schaakpartijen, een indicatie geven van die
sterkte.
Om aan de competitiewens
van de schakers, waartoe ik mij verder zal beperken, tegemoet
te komen organiseert de schaakvereniging onderlinge wedstrijden, gewoonlijk
aangeduid als de huishoudelijke competitie. Afhankelijk van de omvang van het
deelnemersveld kan door een indeling in klassen en de daaraan verbonden
promotie- en degradatieregeling nog een extra element van spanning worden ingebracht.
Naast de huishoudelijke
competities geeft een externe competitie een extra dimensie aan de schaaksport,
n.l die van teamsport.
Teams samengesteld uit leden van een vereniging nemen het op tegen van andere
verenigingen en ook hier zorgt de klasse indeling en de daaraan verbonden
promotie – en degradatie voor de nodige spanning.
Het welslagen van de
competities, zowel huishoudelijk als extern, hangt in hoge mate af van het
gekozen systeem, de indeling en het sportieve wedstrijdelement. Met dit laatste
wil ik duiden op de gewenste gelijkwaardigheid van de tegenstand. Schaken tegen
een veel te sterke of een veel te zwakke tegenstander geeft op den duur geen
bevrediging.
In de RSB – competitie
hebben we jarenlang gewerkt volgens een rooster systeem en een indeling in
klassen naar een piramidaal model, d.w.z. aan de onderkant een brede basis en
naar boven toe spits toelopend. In ideale vorm komt dit neer op:
Promotieklasse 1 groep van
8 teams
1e
klasse 2
groepen van 8 teams
2e
klasse 4
groepen van 8 teams
3e
klasse
8 groepen van 8 teams
4e
klasse 16 groepen van 8 teams
Om een dergelijke opbouw
als succesvol te kunnen aanmerken moet het wel aan een aantal voorwaarden
voldoen.
Ten eerste moeten er
voldoende teams per groep zijn, waarbij de ervaring ons heeft geleerd dat voor
de RSB- competitie acht teams per groep een goed aantal is. Bij grotere
aantallen wordt het tijdsbeslag te groot en dat gaat ten koste van de
huishoudelijke competities.
Ten tweede moeten de teams
niet te klein zijn om te voorkomen dat de aanwezigheid en het geboekte
resultaat van één of twee relatief sterke of zwakke spelers te veel gewicht
hebben, in positieve of negatieve zin, voor de totaaluitslag van de wedstrijd.
Ten derde moet de
gemiddelde speelsterkte van de teams spelend in eenzelfde groep niet al te
grote verschillen vertonen.
Verder zijn er nog wat andere
zaken van belang, zoals goede accommodaties en materiaal, een duidelijk
competitiereglement, adequate communicatie en administratie, etc. Deze
elementen blijven in het navolgende onbesproken ook al zijn deze wel degelijk
mede bepalend voor het welslagen van de competitie.
In hoeverre voldoet de
RSB-competitie aan de drie hiervoor genoemde voorwaarden?
Ten
eerste is de vraag of er voldoende teams zijn ontkennend te beantwoorden.
Het ledenaantal van de RSB
was zo’n vijftien jaar geleden nog rond de 3000, maar
anno 2007 is dit aantal gereduceerd tot ongeveer 2000. De teruggang is zowel
bij de senioren als bij de jeugd waarneembaar. Dit heeft uiteraard zijn
weerslag op het aantal teams dat door de verenigingen wordt ingeschreven voor
de RSB-competitie.
In het nu afgelopen
seizoen 2006/07 zag de competitie-indeling er als volgt uit:
Promotieklasse
1 groep van 8 teams
1e
klasse 2 groepen van
8 teams
2e
klasse 4 groepen van
8 teams
3e
klasse 4 groepen van 8 teams
4e klasse
3 groepen van x teams
In
de 4e klasse werd gespeeld 2 groepen elk uit 6 teams en 1 groep uit
7 teams.
De
piramidale opbouw is ver te zoeken maar voor de invulling van de promotieklasse
tot en met de 3e klasse is de situatie niet onaanvaardbaar. De
samenstelling van de 4e en laagste klasse doet echter afbreuk aan
het geheel.
De
tweede voorwaarde heeft betrekking op de omvang van de teams. In alle groepen
wordt gespeeld met achttallen en dat is stellig niet te klein.
De
samenstelling gemeten naar gemiddelde speelsterkte, de derde voorwaarde, laat vooral
in de 3e en 4e klasse te wensen over zo blijkt uit statistisch
werk verricht door Ronald Damhuis (3-Torens).
|
|
|
“In bovenstaande figuren is de gemiddelde ELO-rating
per deelnemend team uitgezet. Het is evident dat de krachtsverhoudingen in de
derde en vierde klasse relatief groot zijn”, aldus Ronald Damhuis.
Samenvattend is de
conclusie dat de RSB competitie voldoet aan één van de drie objectief gestelde
voorwaarden voor de inrichting van een goede competitie. Het is dus tijd ons te
beraden op deze situatie en nieuwe of in elk geval andere wegen in te slaan.
Waarheen met de
RSB-competitie?
Er zijn al wat suggesties
gedaan. Ten eerste door Ronald Damhuis die bij zijn grafieken nog optekent:
“In een tijd waarin iedereen klaagt over de beperkte
doorstroming van de jeugd of het moeizame enthousiasmeren van de thuisschakers
is het natuurlijk droevig dat we in de lagere regionen geen interessante
RSB-competitie kunnen bieden. Ware het niet beter om de competitie indeling aan
te passen aan de werkelijke krachtsverhoudingen en zelfs een vijfde klasse te
creëren? Teams met een gemiddelde rating beneden de
1500 kunnen dan opteren voor een aspirantenklasse. Met drie poules in de derde
klasse, twee in de vierde klasse en 1 aspirantenklasse wordt de competitie veel
leuker.
Potentiële kandidaten aspirantenklasse: CSV 2 (1367),
Dordrecht 5 (1407), Messemaker 5 (1347), Ysselmonde 2 (1375), 3-Torens 4
(1376), Papendrecht 4 (1258). Dit zijn teams die nu als kop van jut fungeren maar
in een aspirantenklasse leuk tegen elkaar kunnen uitkomen. Vooral voor de
jeugdteams is het gat met de senioren momenteel te groot. Eventueel zouden we
de aspirantenklasse open kunnen stellen voor viertallen omdat het vaak voorkomt
dat een vereniging geen achttal (met reserves) over heeft, maar dat voert
momenteel waarschijnlijk nog te ver.”
Ook Aad van den Berg (De
IJssel) maakt gewag van de veranderingen. Hij schrijft:
“In de RSB competitie wordt door de terugloop van
deelname de omvang van de vierde klasse steeds kleiner. Bovendien treedt door
extra promoties (om de derde klasse vol te krijgen) een vervlakking in
speelsterkte op.”
Vervolgens komt hij met de
volgende suggestie:
“In bijna alle andere regionale schaakbonden tracht
men dit probleem te ondervangen door verkleining van de teams cq het
introduceren van speciale competities voor met name
viertallen, zoals blijkt uit onderstaand overzichtje:
FSB 4e
klasse zestallen, 5e klasse met viertallen (8)
NOSBO Speciale
viertallen competitie
SBO 3e
klasse zestallen, 4e klasse met viertallen (12)
OSBO 3e
en 4e klasse met zestallen
SGS Speciale
viertallen competitie (35 teams)
SGA 5e
klasse met viertallen (7)
NHSB Speciale
vierde klasse met viertallen (24 teams)
LeiSB Laatste
klasse (3e) klasse met zestallen, recreatieklasse met viertallen (6)
HSB Laatste
klasse (4e) klasse met zestallen
ZSB Laatste
klasse (2e ) met viertallen (12)
NBSB Naast
normale competitie op zaterdag, een avondcompetitie met viertallen (51)
LiSB Laatste
klasse (3e) met viertallen (21)
De verkleining van teams heeft bij sommige bonden
veel succes. De RSB is de enige bond die streng vast houdt aan achttallen. De
invoering van viertallen en/of zestallen is op zijn minst een overweging waard,
lijkt mij. “
Tot zover Aad van den
Berg. Later zou hij nog eens onderstrepen dat hij er voorstander van is dat viertallen
los van de competitie een eigen competitie spelen.
Aan de suggesties van Aad
van den Berg is een vervolg gegeven in de vorm van een kleine enquête gehouden
bij alle RSB-verenigingen. Bij het uitschrijven van die enquête was de bijdrage
tot de discussie van Ronald Damhuis mij helaas niet bekend.
Wat was de uitkomst van de
enquête?
Aangeschreven 42 verenigingen met een totaal bestand van 2082
leden.
Antwoord werd ontvangen
van 24 verenigingen (57.1%), vertegenwoordigend 1193 leden (57.3%);
Vraag 1a Wilt u spelen met
zestallen in de laagste klasse?
ja =
13 verenigingen (54.2%), met 592 leden (49.6%);
neen = 8 verenigingen (33.3%), met 556 leden
(46.1%)
blanco = 3 verenigingen (12.5%), met 45 leden (
4.3%)
Vraag 1b Wilt u de 4e
klasse afschaffen?
ja = 4 verenigingen (16.7%), met 122 leden
(10.2%)
neen =
12 verenigingen (50.0%), met 749 leden (62.8%)
blanco = 8 verenigingen (33.3%), met 322 leden
(27.0%)
Vraag 1c Wilt u alles
ongewijzigd laten?
ja = 5 verenigingen (20.8%), met 383 leden
(32.1%)
neen =
17 verenigingen (70.8%), met 783 leden (65.6%)
blanco = 2 verenigingen ( 8.4%), met
27 leden ( 2.3%)
Vraag 2 Wilt u een afzonderlijke competitie
voor viertallen invoeren?
ja = 6 verenigingen (25.0%), met 309 leden ( 25.9%)
neen = 7 verenigingen (29.2%), met 418 leden
(35.0%)
blanco = 11 verenigingen(45.8%), met 466 leden (39.1%)
Wat mogen wij uit
bovenstaande cijfers concluderen? Ik doe een voorzichtige poging.
Conclusie 1: Opvallend is de toch wel teleurstellende respons. De
competitie gaat ons allen aan en dus ook de schakers die van verenigingen
waarvan het bestuur gemeend heeft niet te moeten reageren, zelfs niet na een
vriendelijke gestelde herinnering.
Dat is jammer omdat men op
die manier niet bijdraagt aan het verkrijgen van het gewenste inzicht, jammer omdat
daarmee afbreuk wordt gedaan aan de goede bedoelingen van de groep die wel de
moeite heeft genomen de vragen te beantwoorden en niet in de laatste plaats jammer
voor de leden van de betreffende verenigingen, daar hun mening nu onbekend
blijft.
Conclusie 2: Spelen met zestallen in de laagste klasse heeft
gelet op het aantal verenigingen een duidelijke meerderheid aan “voorstemmers”,
maar met het aantal leden als wegingsfactor wordt het overtuigende “ja”
gereduceerd tot slechts een krappe meerderheid.
Conclusie 3: Duidelijk is dat het afschaffen van de 4e
klasse veel tegenstanders heeft, ondanks het gegeven dat juist die 4e
klasse de zwakke schakel in ons competitiebestel is. Creatieve oplossingen zijn
dus geboden.
Conclusie 4: Moet er wel iets gewijzigd worden in de competitieopzet? Zeer
zeker, meent een forse meerderheid, ook al is daarmee nog niet aangegeven welke kant
het op moet.
Conclusie 5: Moet er een afzonderlijke viertallencompetitie komen
wordt niet duidelijk beantwoord. Ik moet toegeven dat de vraag ook wel wat ruim
is gesteld, zo is onduidelijk of bedoeld wordt een competitie voor de minst sterke
schakers, wat het speeltempo is, en dergelijke. Uit
het door Aad van den Berg samengestelde overzicht blijkt evenwel
dat in de andere regionale bonden van enig succes sprake is. We kunnen er alle
kanten mee op, stellig ook de goede.
Waarheen met de competitie? Het is
een blijft een boeiende vraag. Mag deze vraag los worden gezien van andere
vraagstukken waar het georganiseerde schaak mee wordt geconfronteerd, zoals de
reductie van het ledenaantal, en dergelijke? Stellig niet, is mijn overtuiging.
De externe competitie is
onderdeel van ons totale schaakaanbod of anders gezegd een marketing vraagstuk.
Ook de gang van zaken bij de verenigingen maakt daar deel vanuit zoals de huishoudelijke
competitie, accommodatie,het clubblad en ditzelfde geldt ook voor de vele uitstekende
toernooien georganiseerd door zichzelf respecterende verenigingen, de al dan
niet centrale trainingen voor de jeugd, de schaaklessen aan huismoeders en al
dan niet bijbehorende vaders, en vult u het lijstje zelf maar verder aan.
Er is, zo wil ik wel
vaststellen, nog heel wat werk aan de winkel. Het RSB bestuur zal zich op korte
termijn beraden over door mij getrokken conclusies. Maar blijft u als het u belieft nu niet
passief aan de kant staan. Reacties, suggesties zie ik gaarne op mijn e-mail (kluizenest@planet.nl) van u tegemoet.
Het bestuur zal en kan van uw inbreng dankbaar gebruik willen maken.
Kees van der Waal
(bestuurslid PR en Verenigingszaken)