|
Inleiding
Onder de titel "Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B." wil ik ingaan op een stukje geschiedenis van het schaken in de regio van de R.S.B., meer in het bijzonder op de oprichting en beginjaren van de R.S.B.. In feite herschrijf ik voor een deel, dat wil zeggen waar dat bij nader inzien nodig is, een eerder van mijn hand gepubliceerde artikelenreeks in de "Spiegel" uit de jaren 1987 en 1988.
Destijds was de voornaamste bron van informatie het boek met "Jaarverslagen van de R.S.B.", in schoonschrift en eigentijds taalgebruik, bijgehouden door de toenmalige secretaris van de R.S.B. de heer A. de Bruijn.
Aanleiding
Begin dertiger jaren van de vorige eeuw vond er een geboortegolf plaats, niet van mensenkinderen maar van regionale schaakbonden. De schaakeenheid in Nederland stond onder de hoede van de Nederlandse Schaak Bond, de N.S.B., en over de werkwijze van die N.S.B. bestond landelijk een zeer grote onvrede. De N.S.B. zou autoritair zijn, voor geen enkele reden vatbaar en in het geheel geen oog hebben voor de belangen van de lokale schaakverenigingen. De grote clubs in Nederland maakten de dienst uit en de rest had niets in te brengen dan lege briefjes.
Een dergelijke situatie vroeg om een reactie en die kwam dan ook met de oprichting van regionale schaakbonden.
Voor de oprichting van de R.S.B. gold bovendien nog een tweede belangrijk motief. De verenigingen in Rotterdam werden regelmatig geconfronteerd met wat men kan noemen zwevende leden. Dit waren mensen die er een gewoonte van maakten lid te worden van een club maar van het betalen van contributie nog nooit hadden gehoord. Als de betreffende penningmeester na enige tijd toch wat opdringerig de aandacht op zich vestigde veranderde men eenvoudig van club alwaar het gedoe zich natuurlijk na enige tijd herhaalde. De verenigingen wilden hier paal en perk aan stellen en door de oprichting van een bond kon men tot afspraken geraken om de zwevende leden een halt toe te roepen. Tot op de dag van vandaag geldt de afspraak, dat men geen leden inschrijft met een contributieschuld bij een andere vereniging.
De oprichting
De oprichting van de R.S.B. had nog al wat voeten in de aarde en wie kan dat beter vertellen dan de heer A. de Bruijn. Hij was er bij en zijn verslaggeving is duidelijk, hij verhaalt als volgt:
"Kort overzicht van het ontstaan van den Rotterdamschen Schaakbond.
In het najaar van 1930 werd door het Bestuur van de Schaakvereeniging 'Spangen' een vergadering bijeengeroepen van afgevaardigden van de verschillende schaakvereenigingen hier ter stede, om te komen tot de oprichting van een Rotterdamschen Schaakbond. Als voorzitter fungeerde de heer H. Boon, secretaris van 'Spangen'. Alle aanwezigen, waaronder Mr. Oskam, voorzitter van de N.S.B. en de heer Hartogensis, secretaris van het Hoofdbestuur (zo werd het bestuur van de N.S.B. in die tijd genoemd - Kees) , toonden zich zeer ingenomen met het plan. Toch bleek het nog niet mogelijk, reeds definitief tot een oplossing over te gaan, waarom een commissie werd benoemd, die tot taak had, een concept van de Statuten en Reglementen te ontwerpen. Leden dezer commissie waren de heren Stakenburg, C.B. de Bruin, Van Os, Meeusze en A. de Bruijn. Met de Statuten kwam de commissie, dank zij de hulp van Mr. Oskam spoedig gereed; het Reglement daarentegen liet steeds op zich wachten en de zaak dreigde ten slotte op de lange baan geschoven te worden. Toen nu in het najaar van 1931 de gang van zaken in den N.S.B. het dringend gewenscht maakte, dat Rotterdam als eenheid in de Algemeene Vergadering van dien Bond kon optreden, besloot het laatstgenoemde lid der commissie, in overleg met Mr. Oskam, de zaak in handen te nemen, na eerst een mislukte poging gedaan te hebben, de commissie in haar geheel ervoor te spannen.
Een vergadering van afgevaardigden derzelfde vereenigingen, die de commissie hadden benoemd, werd bijeengeroepen op 17 november 1931. Bijna alle Rotterdamsche vereenigingen gaven gehoor aan dien oproep, maar van de commissie bleek alleen het initiatief-nemende lid aanwezig, dat de vergadering had te presideren. De besprekingen hadden door de aangename medewerking van de vertegenwoordigers der clubs, een vlot verloop. De Statuten werden artikelsgewijs behandeld en met enkele wijzigingen goedgekeurd. Voor het Reglement werd dat van den Amsterdamschen Schaakbond als basis genomen en ook de vaststelling hiervan leverde niet al te veel moeilijkheden op.
Staande de vergadering traden zes vereenigingen definitief toe, terwijl de anderen in principe bereid bleken, maar eerst machtiging van hun vereeniging moesten vragen.
Hiermede was dus de Rotterdamsche Schaakbond opgericht."
Merkwaardig is toch wel het optreden van Mr.G.C.A. Oskam, voorzitter van de N.S.B.. Zijn eigen bond genereerde nogal wat onvrede en de oprichting van de R.S.B. werd mede door die onvrede gevoed. Hij steunt het initiatief tot oprichting van de R.S.B. van harte en hij levert bijstand in de juridische zaak van het opstellen van de statuten. Later zullen wij zien dat de heer Oskam wel meer vreemde exercities uitvoerde waarbij hij ogenschijnlijk makkelijk van rol wisselde. Naar zijn motieven kunnen wij nu achteraf slechts gissen, een oordeel daarover blijft dan ook achterwege.
De R.S.B. krijgt gestalte
De oprichting van de R.S.B. had dus nog al wat voeten in de aarde en het wegblijven van de commissieleden op de vergadering van 17 november 1931 doet vermoeden dat de harmonie zoek was geraakt. Maar goed, met zes aangesloten verenigingen was er in ieder geval een bescheiden begin.
Hoe ging het verder? Wij volgen het relaas van de heer De Bruijn verder op de voet.
"Tijdens de besprekingen was de wenschelijkheid en zelfs noodzakelijkheid gebleken, om met het og op de competities, ook de vereenigingen buiten Rotterdam, behoorend tot het onderdistrict Zuid-Holland-Zuid (van de N.S.B. - Kees) , in den R.S.B. op te nemen, waarom het rayon van dezen bond uitgebreid werd tot dat van genoemd district, hoewel de oorspronkelijke opzet het stichten van een zuiver plaatselijke bond was geweest.
Bij de bestuursverkiezing die volgde, werden benoemd, voorlopig met een mandaat tot de 1e Algemeene Vergadering in Februari 1932, de Heren A. Reijss (Rotterdamsche Schaakgenootschap), A. de Bruijn (Spangen), J.P. de Jong (Het Westen), A. van Balen (Kralingen) en M.J. Veenstra (N.R.S.V.) respectievelijk als voorzitter, 1e secretaris, penningmeester, 2e secretaris en wedstrijdleider.
Met een slotwoord van den pas gekozen voorzitter, den Heer Reijss, was de vergadering ten einde".
Kees van der Waal
top
|